
Voor Wayson Choy (Vancouver, 1939) zijn er geen toevallige gebeurtenissen. Hij gelooft in voortekenen en ziet het leven als een cirkel. Als bewijs noemt hij het feit dat zijn pleegdochter Tosh hem vanuit Arizona bezocht, in de zomer van 2001, net toen hij in het ziekenhuis belandde na een bijna fatale, door astma veroorzaakte coma en een serie hartaanvallen. Er was behoefte aan een hart- en longverpleegkundige en dat is Tosh’ beroep. Ooit hielp Wayson haar opvoeden, nu hielp zij hem overleven.
Familiebanden en familiegeheimen staan centraal in Choy’s oeuvre. Drie van zijn boeken spelen in de jaren veertig, in de Chinatown van Vancouver, waar hij opgroeide. Veel van de geuren, kleuren en details zijn ontleend aan zijn eigen familiegeschiedenis. Zijn grootmoeder, die nog lotusvoeten had, was dominant en twistziek, wat uiteindelijk leidde tot een familievete. Waysons eigen ouders hielden zijn adoptie geheim. Hij ontdekte dat bij toeval, na de publicatie van De pioenroos, toen hij al in de vijftig was. Hij bleek meer op de Tweede Broer te lijken dan hij ooit beseft had!
Ondanks zijn verleden was Choy een laatbloeier. Pas tegen zijn veertigste realiseerde hij zich op welke goudmijn hij zat. ‘Ik had mezelf wijsgemaakt dat mijn familiegeschiedenis niet telde. Ik was een banana. Geel van buiten, wit van binnen. Inmiddels ben ik daar trots op. Voor alle bananas, oreo’s en coconuts geldt: wie kan overleven tussen twee werelden kan er ook het beste uit kiezen, zelfs als ze proberen je het ergste op te dringen.’
Choy verliet Vancouver in 1962, toen hij naar Ottawa liftte om te demonstreren tegen een quotasysteem dat het aantal Chinese immigranten beperkte tot 125 per jaar. Uiteindelijk belandde hij in Toronto, waar hij, openlijk gay, koos voor een leven als activist en leraar. Van 1967 tot 2004 doceerde hij Engels aan Humber College.
‘In 1977 stierf mijn moeder. Humber College stond me een sabbatical toe, zodat ik bij mijn vader kon zijn en het UBC creative writing-programma kon volgen. Carol Shields was de short story-docent. Zij vond dat een schrijver op elke bron een verhaal kon baseren. Zo scheurde ze een papier in stukken, en voorzag elk stukje van een kleur. Haar opdracht was: de kleur die je kiest, moet een belangrijke rol spelen in je volgende verhaal. Ik kreeg roze.
Mijn toevallige keuze bleek een teken. Tijdens mijn kindertijd werkten mijn immigrantenouders de klok rond, dus ik werd deels opgevoed door de laatste pioniers van Chinatown, afkomstig uit de dorpen van het oude China. Zij leerden mij volkswijsheden zoals op tekens letten, ofwel gebeurtenissen opmerken die betekenis hadden voor mijn lot. Ik voelde dat roze betekenis had, maar had geen idee wat.
Vlak voor de inleverdatum hoorde ik mijn vader en tantes over mijn moeders jade spreken. Ik ving op dat er naast het zeldzame groene jade ook een roze variant bestond. Toen ik een uur later weer binnenliep ging het over de pioenroos in mijn tantes tuin. Ik werd gegrepen door de frase ‘‘Jade pioenroos’’ en zag een bevende oude hand een stuk roze jade in een jongenshand drukken. Die nacht typte ik: ‘‘Toen grootmoeder op drieëntachtigjarige leeftijd stierf, hield onze familie haar adem in.’’’
Het resultaat, ‘The Jade Peony’, verscheen een jaar later in druk en werd meer dan twintig keer in bloemlezingen opgenomen. In 1992 begon hij het verhaal uit te breiden tot een roman. Drie jaar later verscheen De pioenroos. ‘Wat als Carol Shields destijds niet haar studenten had uitgedaagd met wat papiersnippers? Haar no-nonsense geest moet wel glimlachen.’
De titel verwijst naar het jade sierraad dat de grootmoeder doorgeeft aan haar favoriete kleinkind. In het leven van de auteur speelt jade een vergelijkbare rol. ‘Mijn derde oom gaf me een stuk jade dat grote waarde voor hem had. Hij ging terug naar China en we zouden elkaar nooit meer zien. Ik weet nog dat hij er veertig dollar voor betaald had. Met zijn werk op de stoomschepen en aan de spoorlijn mocht hij blij zijn als hij vijfentwintig of dertig cent per dag verdiende. Dit geschenk had dus een zeer bijzondere betekenis.’
In Canada stond De pioenroos maandenlang op de bestsellerlijsten. Choy werd door critici geprezen om zijn compassie en inzicht. De roman won de Trillium Book Award (samen met Margaret Atwoods Alias Grace) en de City of Vancouver Book Award en kreeg niet alleen Chinees-Canadese lezers maar vond weerklank bij een veel groter publiek. Inmiddels is De pioenroos toe aan de dertigste druk en wordt Choy gezien als een van de grootste levende Canadese auteurs.
Voor Choy gaat zijn debuut ook over de destijds vrijwel vergeten eerste Chinese immigranten. ‘Die oudgedienden waren taai. Dat moesten ze wel zijn, met zoveel bittere ervaringen. Ze waren ook verrassend teder. Het ene moment vertelden ze je dat ze je dood zouden hakken (hun dorpstaal was bot), het volgende moment omhelsden ze je en waren ze bang je uit het oog te verliezen. Ik vertrouwde hun intensiteit. Velen van hen waren zo slecht behandeld dat ze ziedden over oud onrecht, en toch herinner ik me hun fundamentele waardigheid en fatsoen. En hun verhalen. Niets was spannender dan een oudgediende die zei: ‘‘Zit stil, ik vertel verhaal.’’ Dan hield ik mijn adem in. Hun volksvertellingen en levensgeschiedenissen leerden mij de betekenis van geesten en tekens.’
Zelf gelooft Choy niet echt in geesten. ‘Maar ik moet bekennen dat ze me wel bezighouden. Volgens mij wordt er een plek in je hoofd ingenomen door de mensen die van je gehouden hebben, of die een belangrijk deel van je leven zijn, goed of slecht. Ze wonen er als geesten, bij gebrek aan een beter woord. Deze geesten van het verleden spreken tot me. Ik beschouw mezelf als onderdeel van een verwende generatie. Ik heb zoveel geluk. De pioniers hebben het echte werk gedaan, de oorlog is voorbij. Dus toen ik mijn boek schreef was dat een manier om al die mensen te bedanken, inclusief mijn ouders. Ik wil ze zeggen dat ze niet vergeten zijn. Hun lijden betekende iets. Dit boek is mijn jade voor hun generatie.’
Familiebanden en familiegeheimen staan centraal in Choy’s oeuvre. Drie van zijn boeken spelen in de jaren veertig, in de Chinatown van Vancouver, waar hij opgroeide. Veel van de geuren, kleuren en details zijn ontleend aan zijn eigen familiegeschiedenis. Zijn grootmoeder, die nog lotusvoeten had, was dominant en twistziek, wat uiteindelijk leidde tot een familievete. Waysons eigen ouders hielden zijn adoptie geheim. Hij ontdekte dat bij toeval, na de publicatie van De pioenroos, toen hij al in de vijftig was. Hij bleek meer op de Tweede Broer te lijken dan hij ooit beseft had!
Ondanks zijn verleden was Choy een laatbloeier. Pas tegen zijn veertigste realiseerde hij zich op welke goudmijn hij zat. ‘Ik had mezelf wijsgemaakt dat mijn familiegeschiedenis niet telde. Ik was een banana. Geel van buiten, wit van binnen. Inmiddels ben ik daar trots op. Voor alle bananas, oreo’s en coconuts geldt: wie kan overleven tussen twee werelden kan er ook het beste uit kiezen, zelfs als ze proberen je het ergste op te dringen.’
Choy verliet Vancouver in 1962, toen hij naar Ottawa liftte om te demonstreren tegen een quotasysteem dat het aantal Chinese immigranten beperkte tot 125 per jaar. Uiteindelijk belandde hij in Toronto, waar hij, openlijk gay, koos voor een leven als activist en leraar. Van 1967 tot 2004 doceerde hij Engels aan Humber College.
‘In 1977 stierf mijn moeder. Humber College stond me een sabbatical toe, zodat ik bij mijn vader kon zijn en het UBC creative writing-programma kon volgen. Carol Shields was de short story-docent. Zij vond dat een schrijver op elke bron een verhaal kon baseren. Zo scheurde ze een papier in stukken, en voorzag elk stukje van een kleur. Haar opdracht was: de kleur die je kiest, moet een belangrijke rol spelen in je volgende verhaal. Ik kreeg roze.
Mijn toevallige keuze bleek een teken. Tijdens mijn kindertijd werkten mijn immigrantenouders de klok rond, dus ik werd deels opgevoed door de laatste pioniers van Chinatown, afkomstig uit de dorpen van het oude China. Zij leerden mij volkswijsheden zoals op tekens letten, ofwel gebeurtenissen opmerken die betekenis hadden voor mijn lot. Ik voelde dat roze betekenis had, maar had geen idee wat.
Vlak voor de inleverdatum hoorde ik mijn vader en tantes over mijn moeders jade spreken. Ik ving op dat er naast het zeldzame groene jade ook een roze variant bestond. Toen ik een uur later weer binnenliep ging het over de pioenroos in mijn tantes tuin. Ik werd gegrepen door de frase ‘‘Jade pioenroos’’ en zag een bevende oude hand een stuk roze jade in een jongenshand drukken. Die nacht typte ik: ‘‘Toen grootmoeder op drieëntachtigjarige leeftijd stierf, hield onze familie haar adem in.’’’
Het resultaat, ‘The Jade Peony’, verscheen een jaar later in druk en werd meer dan twintig keer in bloemlezingen opgenomen. In 1992 begon hij het verhaal uit te breiden tot een roman. Drie jaar later verscheen De pioenroos. ‘Wat als Carol Shields destijds niet haar studenten had uitgedaagd met wat papiersnippers? Haar no-nonsense geest moet wel glimlachen.’
De titel verwijst naar het jade sierraad dat de grootmoeder doorgeeft aan haar favoriete kleinkind. In het leven van de auteur speelt jade een vergelijkbare rol. ‘Mijn derde oom gaf me een stuk jade dat grote waarde voor hem had. Hij ging terug naar China en we zouden elkaar nooit meer zien. Ik weet nog dat hij er veertig dollar voor betaald had. Met zijn werk op de stoomschepen en aan de spoorlijn mocht hij blij zijn als hij vijfentwintig of dertig cent per dag verdiende. Dit geschenk had dus een zeer bijzondere betekenis.’
In Canada stond De pioenroos maandenlang op de bestsellerlijsten. Choy werd door critici geprezen om zijn compassie en inzicht. De roman won de Trillium Book Award (samen met Margaret Atwoods Alias Grace) en de City of Vancouver Book Award en kreeg niet alleen Chinees-Canadese lezers maar vond weerklank bij een veel groter publiek. Inmiddels is De pioenroos toe aan de dertigste druk en wordt Choy gezien als een van de grootste levende Canadese auteurs.
Voor Choy gaat zijn debuut ook over de destijds vrijwel vergeten eerste Chinese immigranten. ‘Die oudgedienden waren taai. Dat moesten ze wel zijn, met zoveel bittere ervaringen. Ze waren ook verrassend teder. Het ene moment vertelden ze je dat ze je dood zouden hakken (hun dorpstaal was bot), het volgende moment omhelsden ze je en waren ze bang je uit het oog te verliezen. Ik vertrouwde hun intensiteit. Velen van hen waren zo slecht behandeld dat ze ziedden over oud onrecht, en toch herinner ik me hun fundamentele waardigheid en fatsoen. En hun verhalen. Niets was spannender dan een oudgediende die zei: ‘‘Zit stil, ik vertel verhaal.’’ Dan hield ik mijn adem in. Hun volksvertellingen en levensgeschiedenissen leerden mij de betekenis van geesten en tekens.’
Zelf gelooft Choy niet echt in geesten. ‘Maar ik moet bekennen dat ze me wel bezighouden. Volgens mij wordt er een plek in je hoofd ingenomen door de mensen die van je gehouden hebben, of die een belangrijk deel van je leven zijn, goed of slecht. Ze wonen er als geesten, bij gebrek aan een beter woord. Deze geesten van het verleden spreken tot me. Ik beschouw mezelf als onderdeel van een verwende generatie. Ik heb zoveel geluk. De pioniers hebben het echte werk gedaan, de oorlog is voorbij. Dus toen ik mijn boek schreef was dat een manier om al die mensen te bedanken, inclusief mijn ouders. Ik wil ze zeggen dat ze niet vergeten zijn. Hun lijden betekende iets. Dit boek is mijn jade voor hun generatie.’






