Mijn naam is Chloë Saunders en mijn leven zal nooit meer hetzelfde zijn.
Het enige wat ik wilde was een paar vriendinnen, een leuk vriendje en een gewoon leven. Ik weet niet eens meer wat dat inhoudt. Het begon allemaal op de dag dat ik voor het eerst een geest zag – en de geest mij. Nu zijn er overal geesten, en ze willen me niet met rust laten. Als klap op de vuurpijl heb ik het op een of andere manier voor elkaar gekregen dat ze me hebben opgesloten in Lyle House, een ‘speciaal tehuis’ voor tieners met psychische problemen. Maar het tehuis is niet wat het lijkt. Niet verder vertellen, maar ik denk dat er meer achter mijn huisgenoten steekt dan je op het eerste gezicht zou denken. De vraag is: aan welke kant staan ze? Het is aan mij om de gevaarlijke geheimen achter Lyle House te ontrafelen... voordat de lijken in de kast bij me komen spoken.
Niemand wilde zeggen wat er met me aan de hand was. Ze lieten me met een heel stel artsen praten en deden een paar onderzoeken, en ik kon merken dat ze best een idee hadden wat me mankeerde, maar dat ze het niet wilden zeggen. Dat hield in dat het ernstig was.
Dit was niet de eerste keer dat ik mensen had gezien die er in werkelijkheid niet waren. Daarover had tante Lauren na school met me willen praten. Toen ik over de droom was begonnen, herinnerde ze zich weer dat ik vroeger altijd zei dat er mensen in de kelder van ons oude huis woonden. Mijn ouders dachten dat het mijn eigen, creatieve versie van denkbeeldige vriendjes was, dat ik een hele trits personages bij elkaar had verzonnen. Maar toen werd ik bang van die vrienden, zo bang dat we moesten verhuizen.
Zelfs daarna ‘zag’ ik soms mensen, dus had mama die robijnrode ketting voor me gekocht en gezegd dat hij me zou beschermen. Papa zei dat het allemaal een kwestie van psychologie was. Ik geloofde dat het werkte, dus werkte het ook. Maar nu gebeurde het weer. En deze keer schreef niemand het toe aan mijn levendige fantasie.
Ze stuurden me naar een tehuis voor gestoorde jongeren. Ze dachten dat ik gek was. Dat was ik niet. Ik was vijftien, ik was eindelijk ongesteld geworden, en dat moest toch iets betekenen? Het kon geen toeval zijn dat ik diezelfde dag nog dingen was gaan zien die er niet waren. Al die opgepotte hormonen waren losgebarsten en mijn brein was gaan haperen; het had beelden uit vergeten films geplukt en me laten geloven dat ze echt waren.
Als ik gek was, zou het niet zijn gebleven bij het zien en horen van mensen die er niet waren. Dan zou ik ook gek hebben gedaan, en dat was niet zo.
Toch?
Hoe meer ik erover nadacht, hoe minder zeker ik van mijn zaak werd. Ik kon me niet herinneren dat ik iets raars had gedaan. Behalve dat ik in de badkamer mijn haar had geverfd. En dat ik had gespijbeld. En dat ik de maandverbandhouder had opengebroken. En dat ik met een leraar had gevochten.
Dat laatste telde niet. Ik schrok ontzettend toen ik die verbrande man zag en ik deed mijn best om voor hem weg te vluchten; het was niet mijn bedoeling om iemand pijn te doen. Daarvoor mankeerde ik niets. Mijn vriendinnen vonden dat ik niets mankeerde. Meneer Petrie vond dat ik niets mankeerde toen hij me op de shortlist zette voor de functie van regisseur. Nate Bozian vond duidelijk ook dat ik niets mankeerde. Als een gek meisje met je naar het bal wilde, reageerde je niet zo blij.
Hij was toch wel blij?
Wanneer ik eraan terugdacht, was het allemaal heel wazig, als een verre herinnering aan iets wat ik misschien alleen maar had gedroomd.
Stel dat het allemaal niet was gebeurd? Ik wílde graag regisseur worden. Ik wílde graag dat Nate belangstelling voor me had. Misschien had ik het me wel ingebeeld. Was het allemaal een hallucinatie, net als de jongen op straat en het huilende meisje en de verbrande conciërge?
Als ik echt gek was, zou ik het dan weten? Dat gebeurde er toch als je gek was? Dan dacht je dat je niets mankeerde. Maar iedereen om je heen wist wel beter. Misschien was ik toch gek.